Startpagina | IK VERZAMEL . . . | LINKS | VOORLAATSTE NIEUWE FOTO'S

Een meisje voor 't werk

Een meisje voor 't werk

Ik kwam thuis en had voor de buurvrouw een boodschap gedaan en twee centen verdiend. Ik was nu dertien, dus z.g.n. volwassen. Aan de tafel zat tante Dina. Zij was getrouwd met een broer van moeder. Ze waren in 1910 in diepe armoede getrouwd, zonder werk, leende een oom een kruiwagen en trok er met z'n vrouw op uit naar markten in en om Apeldoorn. Ze leurden met vet en draaiden elke cent om. Iedereen kon toen zomaar een zaakje beginnen. 't Ging aardig goed. Van de winst werd nu ook wat spek gekocht en zie daar! Het floreerde. Na een aantal jaren konden ze zowaar een winkel huren, op de Arnhemseweg, waar nu een apotheek in zit, tegen over de Eendrachtstraat.
De oom had durf; 't lukte nog ook. Ze "moesten" trouwen, zonder ook maar een cent extra, maar wel met wat geleend geld. Zo waren de ouders van Middelink aan de Asselsestraat ook begonnen. Iedere arbeider begon met een kruiwagen en er zijn millionairs uit voortgekomen, al was oom Jo daar niet bij. Dus nu waren ze in goede doen en tante Dina wilde een meisje voor 't werk, de eerste en ik had de eer. "Zo Dina", zei ze vriendelijk en begon meteen haar verhaal af te steken! "Zou jij bij me willen komen werken?" Nu, of ik wilde of niet, ik moest wel. Een rijksdaalder met de kost in de week, van acht uur tot 's avonds zeven. Zondags ook, alleen 's morgens. Kijk eens aan! Daar ging ik, schort in een krant, een nieuwe waarachtig! Lopende van de Hofstraat 41 naar hun huis.
Toch ook wel zo'n twintig min. ruim, maar die tijd heen en terug was ik mooi kwijt. De Christiaangeurtsweg was eindeloos in mijn ogen. Het is nu alles verbouwd en veranderd. De huizen waren in en voor de Eerste Wereldoorlog schots en scheef door elkaar gebouwd. Daar kwam ik aan. Keek m'n ogen uit naar die mooie slagerswinkel. Woonde daar een tante van me? Ik voelde m'n net zo verlegen of dat ik bij een vreemde was. Was de weg er naar toe lang, de weg bij tante's huis was nog eindelozer, ik bedoel de tijd. Nooit zolang van huis geweest, nooit zo hard gewerkt. En ik kon niets. "Dweil de keuken even", zei tante en stoof al weer naar de winkel. Ik keek om me heen; waar moest ik dat mee doen? Ten einde raad nam ik het afwasbakje en de vaatdoek en begon te dweilen. Tante kwam de keuken in en meteen had ik het eerste standje al te pakken. Nu, toen wist ik meteen dat het niet goed was. En er waren toen ik er voor het eerst kwam vier kinderen. Daar moest ik meteen op letten. Nu dat deed ik met volle overgave, want dat had ik thuis wel geleerd. Zeven uur: moe, onvoldaan, sleepte ik me naar huis. Moeder keek me medelijdend aan: "Het zal wel wennen" troostte ze, "later ben je niet zo moe meer." Ik ging vroeg naar bed.
Later ging het beter; het was alleen zo vervelend, dat ik zo verlegen was. Als ik in de winkel moest zijn, wachtte ik altijd tot er geen volk in was. Ik voelde me wat minderwaardig met m'n sjofele kleren. M'n schort moest ik natuurlijk de gehele week mee doen en hou die maar eens schoon met kachel- en schoenenpoetsen, dweilen enz. Alles was altijd weer vlug smerig, de meeste wegen waren zanderig, dus de schoenen moesten elke dag gepoetst. Tante Dina, zelf uit een doodarm gezin, begon natuurlijk ook allure's te krijgen. Ze buitte me uit. Vaak moest ik blijven om 's avonds op te passen. Dan mocht ik wel op haar fiets naar huis, maar 'k was bang zo laat. Elf, twaalf uur. De Christiaangeurtsweg, slecht verlicht, lag eenzaam voor me. De Arnhemseweg was drukker en beter verlicht. Ik aarzelde altijd tussen die twee op de tweesprong. De Arnhemseweg was wel wat om. Tevens lag daar het kerkhof (rooms) en dat was voor mij een lugubere aangelegenheid om er langs te komen.
Natuurlijk dachten ze er nooit aan om je een eindje weg te brengen. Er is ook nooit wat gebeurd. En 's morgens op tijd weer naar 't werk. Toch bleef je er gezond bij. Alleen had ik veel last van infectie in mijn gezicht en op m'n hoofd.
Het ging wat beter naar mate ik ouder werd, maar 't was erg beschamend, vies en hinderlijk. De luizen nestelden zich er in en moeder had de grootste moeite om het hoofd schoon te houden. Ze was een duizendpoot die moeder van me, met 't vechten tegen de bierkaai, ook door onkunde. Halstarrig weigerde ze om naar de dokter te gaan met ons. "Het wint een ziekte uit" zei ze, "anders slaat het naar binnen." En daar liep ik dus dan jaren mee. Als ik nu de kinderen in de onontwikkelde gebieden zie met hun zwerende zielige snuitjes, denk ik er vaak aan hoe het bij ons was.
Het eten was goed bij de slager, maar nooit kreeg je fruit, een ei of snoep. Eens moest ik bij de kruidenier een ons biskwie halen, omdat tante Toos kwam. Ik kreeg er waarachtig ook een. En 'k hoor het tante Toos nog zeggen: "Heb jij geen koekje Dina?". "Ja", zei ik, "hij is al op". Stom verwonderd zei ze: "Al op en ze zijn net uitgedeeld." Diep, diep, schaamde ik met voor m'n gulzigheid. Een stukje worst kreeg ik zelden. Nog niet eens als ik 's avonds oppaste. Een kop chocola mocht ik maken. Dan maakte ik vaak z.g.n. de broodtrommel schoon en sneed het verschimmelde brood van de stukken af en at het op, want honger had ik altijd, maar vragen om een boterham zo als thuis, kwam niet in m'n op.